Eddy & Freddy

eddy & freddy69

Advertenties

Deborah

Meer dan twee maand heb ik met koppijn rondgelopen.

Niets dat hielp.

Zelfs bidden niet, en ge zou nu toch verwachten dat Krot en Compagnie een beetje compassie zouden tonen.

Dat is hun job.

Vergeet het.

Heb ik hier voor niks op mijn blote knieën gelegen van ’s morgens tot ’s avonds; deden die ook nog pijn.

Werd het warm, werd het koud.

Regen. Droog.

Niemand die mij kon zeggen wat of hoe.

Alle mogelijke brol kreeg ik in mijn pollen gestopt, afspraak met de oogspecialist, mijn kop gelijk salami in plakskes gesneden. 

Ik moest tabellen bijhouden met uren en pijnscores, elke week weer suf en verdwaasd naar de dokter.

Opvolging.

“En?”

“Same shit.”

Doctor doctor, please.

Ze had ook geen wisselstukken meer op de lange duur.

Heel de boel tilt geslagen.

 

Met wat pijn valt ook te leven, dat is niet plezant maar er zijn ergere dingen.

Racisme bijvoorbeeld.

Mensen die moeten vluchten en familie moeten achterlaten die door bommen platgeslagen wordt gelijk strontvliegen.

Of de Holocaust.

Dat is allemaal erger.

De schouders eens ophalen en voortgaan, meer kunt ge niet doen.

 

Zei mijn dokteres dat kine misschien nog iets was.

Gewoon vogelpik dus.

Zolang ik mij niet te moe moet maken vind ik dat allemaal ok.

Ga ik nu naar de kine.

Alles in mijn nek zit vast.

Stalen kabels.

 

Deborah fluistert dan wat en kneedt mij.

Sindsdien is mijn hoofdpijn verdwenen.

 

Elke keer rustig stilzwijgen.

Relax.

Gewoon liggen.

Een paar woorden.

Geen oefeningen, simpelweg vingers in de nek en de schouder.

Mag van mij elke dag.

Elk uur.

 

Misschien is het wel gewoon omdat iemand mij eens aanraakt.

Menselijk contact.

Kan ook zijn.

 

Ik heb in alle geval geen hoofdpijn meer.

Cerium

Geen kat die weet wat cerium is, waarvoor cerium gebruikt wordt.

Ik was dat woord ook maar toevallig tegengekomen en wist dat Mendelejev daar iets mee te maken had – die tabel – maar voor de rest geen flauw gedacht van het hoe of waarom.

Het is mijn wereld niet, maar het is wel een mooi woord, en ik hou van mooie woorden.

Dat is wel mijn wereld.

 

Met twee jaar tussen ontdekte men een planeet en een scheikundig element.

1801 en 1803.

Die planeet is al lang geen planeet meer, ze is afgevoerd, maar heeft wel nog een naam: Ceres.

Toen was het de achtste planeet in ons zonnestelsel. Ligt tussen Mars en Jupiter.

Een heel gedoe om ze gevonden te krijgen.

Theoretisch wist men ze liggen. 

Alle wetenschappers maar de ruimte afzoeken. Niemand die ze zag.

Uiteindelijk een of andere pippo die een klein bolletje zag en aan een komeet dacht.

Zo planeet was die planeet. Maar het was een planeet.

En dan weer niet.

Later was er dan Pluto.

Ook klein.

Oeps.

En dan dat gezever over dwergplaneten en Pluto wél en Pluto niet.

En Pluto werd geschrapt.

Later dacht men Pluto er weer bij te voegen maar dan moest men ook Ceres opnemen.

En dan toch maar niet.

Pluto geen planeet.

Ceres geen planeet.

 

Waarom?

Ja, waarom?

Waarom doet men kaas op macaroni?

Waarom zijn bomen van hout?

 

Ceres bleef Ceres; Ceres bleef klein.

Ooit was ze vernoemd naar de Romeinse godin van de akkerbouw en de moederliefde: Ceres (< creare).

 

En nu werd een scheikundig element naar die planeet vernoemd.

Maar net op tijd. Anders was palladium cerium.

De ontdekker van palladium was net te laat om de naam cerium te claimen.

Hij noemde zijn element dan maar naar de planetoïde Pallas.

 

Maar wat is cerium nu eigenlijk?

Cerium behoort tot de zeldzame aardmetalenzeventien scheikundige elementen die van nature in het heelal voorkomen.

Alleen zijn ze helemaal niet zeldzaam. 

Integendeel. 

Het zou een Geert Hoste mop kunnen zijn. 

Vroeger dacht men dat, maar vroeger is voorbij.

 

Het wordt nu nog gebruikt als magneet, in de glasindustrie om UV-licht beter te absorberen, bij LED-lampen en in aanstekers.

Het dingske waar het metalen rolletje tegen draait waardoor je vonkjes krijgt is cerium.

 

Cerium is een mooi woord.

Autocontrole

Moest weer mijn auto laten controleren.

Groene kaart.

Dan weet ge dat het miserie is.

 

Heel die annekesnest begint bij de propere lucht hier in Antwerpen.

Propere lucht – my ass.

Ineens riekt het hier gelijk een dennenwoud of zo. Proper gelijk nooit tevoren. Vogels, konijnen, mollen, egels en de rest van het beestenbos kweekt er hier ineens op los.

 

De Antwerpse Ring? Geen probleem, zolang wij allemaal maar onze auto weg doen.

Dat ik dan ook maar mijn werk moest opzeggen: collateral damage.

Zonder auto zult ge er ook wel geraken; yeah right. 

Ge vindt wel ander werk; yeah right.

Gelukkig weten zij dat voor mij, gelukkig zoeken zij werk voor mij.

 

Bon, een auto.

Tweedehands.

Automatique, want ge hebt maar één been dat meewil.

Embrayage – vergeet het.

Schakelen, neen. 

Freineren, neen. 

 

Een break, want er moeten twee rolstoelen in de koffer kunnen als ge uw ouders ergens naartoe moet voeren.

Dat er nog mensen afhankelijk zijn van mij, daar denken ze weer niet aan als ze zeggen ‘auto weg.’

De trein, de bus – dat lukt ook wel voor die bejaarden met hun lamme poten.

Dat die verdorie eens wat moeite doen, met hun gezever altijd.

 

Benzinewagen, want ge hebt net uw auto moeten verkopen omdat ze uw dubbele filter niet dubbel genoeg vonden.

 

Betaalbare wagen.

Aftrekken van de belastingen zit er niet in, ge zijt maar een kleine onnozele garnaal.

Leg zo maar eens drieduizend flappen. Ze hebben net gezorgd dat ge geen werk meer hebt omdat ge een andere auto moet kopen.

En wie sponsort dat?

’t Stad?

Ik dacht het niet.

De Vlaamse Regering die lult en zevert en mekkert over gehandicapten die verzorgd moeten worden, die meer moeten opgenomen worden in de maatschappij?

Ik dacht het niet: los het zelf op.

Of gaat minister Vandeurzen uw ouders ergens naartoe voeren?

Ik dacht het niet.

De RVA die u doet opdraven?

Kust onz’ kloten zeggen die, en liefst alle twee en ons pietje en de eikel erbij.

Daar staat ge dan.

En als ge zegt dat ge ze wilt kussen, dan durven ze hun broek niet afsteken; altijd hetzelfde.

Bende zeikerds.

Maar bon, na veel vijven en zessen – zelfs vijftigen en zestigen – toch een auto gevonden.

Een Saab break.

Moet dus af en toe naar de controle.

Groene kaart.

Moest ik geen andere auto gekocht hebben, moest ik uiteraard ook gaan.

 

Ge weet van op voorhand dat dat niet in orde gaat zijn, dat ze op iets commentaar gaan hebben.

D’office.

 

Er is altijd iets mis, ook al is er niets mis; ofwel staan uw lichten te hard ofwel staan uw lichten te zacht ofwel zijn uw banden te hard ofwel zijn uw banden niet hard genoeg of zijn die groeven niet diep genoeg ofwel is uw claxon te luid ofwel is uw claxon te zacht en zit ge daar te toeteren gelijk een zot om toch maar uw gelijk te halen en blijft ge toeteren tot alleman daar zot wordt.

Dan moogt ge de Heilige Veronica en alle andere trutten nog op uw blote knietjes aanroepen, ze sturen u weg en naar buiten en naar de hel waar ge kunt gaan roesten en rusten en kom maar eens terug als alles in orde is en ja mijnheer dat doe ik.

En ge gaat wel vriendelijk weg maar eigenlijk wilt ge al die papieren gewoon door hun strot rammen. 

En uw auto erbij.

 

En ik ben voor een beter milieu. En ik wil minder auto’s.

Hoe hypocriet ben ik wel niet.

Heel hypocriet.

Ik weet het wel.

Ik weet het.

 

Maar ik wil ook mijn ouders kunnen helpen. En ik wil op werk kunnen geraken.

Hoe hypocriet zijn ze wel niet met hun denken over werk en maatschappij.

En milieu.

Heel hypocriet.

Ook dat weet ik.

 

Ergens klopt er iets niet.